Costa Rica: Geschiedenis
From Handelswijzer Midden-Amerika van de Koninklijke Nederlandse Ambassade te Costa Rica
De Republiek Costa Rica (rijke kust) dankt haar naam aan Christopher Columbus, die in 1502 bij aankomst aan de Caribische kust verwelkomd werd door leden van de inheemse bevolking die rijk behangen waren met gouden sieraden. Hierdoor dacht Colombus dat er in het binnenland grote hoeveelheden goud aanwezig waren. Het edele metaal bleek echter zeer beperkt vindbaar, waardoor de interesse in Costa Rica verslapte en het een rustige uithoek van het Spaanse rijk werd.
In 1821 verwierf Costa Rica, evenals de overige Midden Amerikaanse landen, de onafhankelijkheid van Spanje, waarna het land kortstondig onderdeel werd van Mexico, waarvan het zich in 1823, na een korte burgeroorlog, los maakte en San José de hoofdstad werd. In 1824 trad Costa Rica toe tot de Federatie van Centraal-Amerikaanse Provincies. De federatie was een los samenwerkingsverband waarvan de leden hun eigen gang gingen. Zo kozen de Costaricanen nog in hetzelfde jaar Juan Mora Fernández tot hun eigen staatshoofd. In 1835 werd Braulio Carrillo Colina (1835-1842) tot president gekozen en nadat in 1838 de federatie uit elkaar viel, riep hij zichzelf uit tot staatshoofd voor het leven. De eerste jaren van deze volledige onafhankelijkheid werden gekenmerkt door onrust. Er ontstond een elite van grote koffieplanters en -exporteurs die tot halverwege de twintigste eeuw veel macht en invloed hadden in de politiek. Na een instabiele periode werd door de in 1870 middels een staatsgreep aan de macht gekomen generaal Tomás Guardia, de macht van de koffiearistocratie enigszins aan banden gelegd. Hij leidde tot 1882 het land op autocratische wijze. Onder zijn dictatuur wonnen republikeinse en liberale ideeën aan invloed. In 1882 werd een liberale grondwet afgekondigd en kwamen er wetten die de scheiding van Kerk en Staat tot doel hadden.
De politieke geschiedenis van Costa Rica van de twintigste eeuw kenmerkt zich, in tegenstelling tot die van veel andere Midden-Amerikaanse landen, door een hoge graad van stabiliteit en rust. Sinds het begin van de twintigste eeuw hebben er zich in Costa Rica slechts twee interne gewapende conflicten voorgedaan. De laatste maal was in 1948-1949, waarna de Tweede Republiek werd opgericht en de huidige grondwet in werking trad. Costa Rica is niet betrokken geweest bij externe gewapende conflicten. Met deze grondwet werd het leger ontbonden zodat, in tegenstelling tot veel van de buurlanden, er in Costa Rica de laatste vier decennia geen sprake meer is geweest van militaire coupes of andere door het leger geïnitieerde ongeregeldheden. Het feit dat Costa Rica tot op heden geen leger heeft (wel een politiemacht voor interne aangelegenheden, inclusief een kustwacht welke met name wordt ingezet voor drugspatrouilles) wordt door velen als kenmerkend ervaren voor de huidige situatie van politieke stabiliteit. Een andere factor die aan deze continue stabiliteit lijkt bij te dragen, is het feit dat noch de president noch de volksvertegenwoordigers zich voor twee opéénvolgende termijnen verkiesbaar mogen stellen.








